Last van de kosteloze grondafstand vereist geen overdracht naar het openbaar domein
De Raad voor Vergunningsbetwistingen verstrekt in haar arrest van 9 januari 2025 met nummer RvVb-A-2425-0377 duidelijkheid over wanneer de last van kosteloze grondafstand opgelegd kan worden en in welke mate de last wordt gerealiseerd als het betrokken gronddeel niet wordt overgedragen aan het openbaar domein.
Lasten leggen bijkomende verplichtingen op bij een vergunning. Ze vinden hun oorsprong in het voordeel dat een begunstigde uit zijn/haar vergunning haalt, en in de bijkomende taken die een overheid door de uitvoering van deze vergunning op zich moet nemen. Dergelijke last wordt niet opgelegd om het aangevraagde in overeenstemming te brengen met de goede ruimtelijke ordening, maar strekt er enkel toe een bepaald voordeel dat de vergunning met zich meebrengt te compenseren.
Een van de mogelijke lasten is deze van de kosteloze grondafstand, wat maakt dat de begunstigde van de vergunning een stuk grond moet afstaan, zonder hiervoor een vergoeding te ontvangen. In rechtsleer werd veelal het standpunt opgenomen dat de grond overgedragen moest worden aan het openbaar domein.
De RvVb wijkt nu af van deze opvatting en verduidelijkt dat dit niet vereist is. De Raad oordeelt dat bij kosteloze grondafstand de grond ook overgedragen kan worden aan privaat domein.
In casu gaat het om een verkavelingsaanvraag voor enkele woningen, waarbij wordt vastgesteld dat het noodzakelijk is een distributiecabine op te richten om elektriciteit naar de verkaveling te verdelen. De netbeheerder vraagt deze grond via de last van kosteloze grondafstand over te dragen. De vergunningverlenende overheid is - op basis van verschillende bronnen in de rechtsleer - van mening dat artikel 75 OVD impliceert dat enkel zaken die deel zullen uitmaken van het openbaar domein, het voorwerp kunnen uitmaken van een kosteloze grondafstand.
De Raad oordeelt hierover evenwel als volgt:
‘Artikel 75, vierde lid Omgevingsvergunningsdecreet, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissing, bepaalt uitdrukkelijk dat lasten kunnen inhouden dat aan de overheid gratis, vrij en onbelast de eigendom wordt overgedragen van de in de vergunningsaanvraag vermelde openbare wegen, groene of verharde ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen, of de gronden waarop die worden of zullen worden aangelegd. Anders dan de verwerende partij in de bestreden beslissing stelt, kan uit de tekst van deze bepaling niet worden afgeleid dat de nutsvoorzieningen of de gronden waarop die worden of zullen worden aangelegd na de gratis grondoverdracht deel moeten uitmaken van het openbaar domein opdat deze last kan worden opgelegd. Uit de duidelijke tekst van deze bepaling, in het bijzonder de vaststelling dat de decreetgever bij ‘nutsvoorzieningen’ niet het adjectief ‘openbaar’ bezigt, waar hij dat bij andere zaken wel doet, vloeit voort dat het voorwerp van de gratis grondoverdracht voor nutsvoorzieningen een openbaar nut moet dienen. Uit het administratief dossier blijkt dat dit het geval is.’
[eigen aanduiding]
De Raad voor Vergunningsbetwistingen leidt uit artikel 75 OVD dus niet af dat de kosteloze grondafstand ten gunste van het openbaar domein moet gebeuren. De betrokken bepaling slaat enkel op de notie ‘nutsvoorzieningen’ en niet 'openbare nutsvoorzieningen', zoals dit in andere bepalingen wel het geval is. Artikel 75 OVD vereist enkel aan dat dat de kosteloze grondafstand een openbaar nut moet dienen.
Ook artikel 76 OVD en de vereiste dat de last redelijk in verhouding moet zijn tot het vergunde project wordt in dit arrest behandeld. Om te onderzoeken of de last wel redelijk is in verhouding tot het vergunde project, onderzoekt de vergunningverlenende overheid of deze noodzakelijk is. De Raad voor Vergunningsbetwistingen verduidelijkt dat de noodzakelijkheid en het eventuele bestaan van alternatieven irrelevant zijn om te bepalen of de last redelijk in verhouding is tot het project. Wat wel relevant blijkt, is een onderzoek naar de voordelen die de begunstigde uit de vergunning haalt en de bijkomende taken die de overheid door de uitvoering van de vergunning opgelegd krijgt. Op basis hiervan kan de redelijkheid in verhouding tot het vergunde project beoordeeld worden.