Effectieve gebruik van wegenis bepalend voor publiek of privaat karakter
In een arrest van 14 november 2024 met nummer RvVb-A-2425-0204 verduidelijkt de Raad voor Vergunningsbetwistingen het onderscheid tussen wegenissen met een publiek en een openbaar karakter en het determinerend criterium hiervoor.
Vraag is dan ook of hier sprake is van een trage verbinding met een publiek karakter, waardoor een beslissing inzake de zaak der wegen zich opdringt.
Artikel 8 Gemeentewegendecreet bepaalt dat niemand een gemeenteweg kan aanleggen, wijzigen, verplaatsen of opheffen zonder voorafgaande goedkeuring van de gemeenteraad.
In het arrest gaat het om een project dat een interne weg voorziet door de collectieve tuinzone van een project met 15 woongelegenheden tot aan de perceelsgrens met een supermarkt. Concreet werd in een woonproject voorzien een ‘permanente doorgang tussen parking en binnentuin die ten alle tijden open is voor voetgangers en fietsers’ en een ‘nieuwe doorgang supermarkt - uitsluitend voor voetgangers en fietsers’. De bestreden beslissing kwalificeert de interne weg als een private wegenis en legt bovendien de vergunningsvoorwaarde op een poortje te voorzien tussen het projectgebied en de parking, om het gebruik van de trage weg te beperken en oneigenlijk gebruik te vermijden. Verzoekende partijen blijven evenwel van oordeel dat het in casu om een gemeenteweg zou gaan, die dus een openbaar karakter heeft.
De Raad voor vergunningsbetwistingen verduidelijkt dat zelfs een trage verbinding die (te allen tijde) open blijft en waar fietsers en voetgangers zonder enige beperking van gebruik kunnen maken, niet altijd een openbaar karakter heeft. De trage verbinding wordt namelijk voorzien in functie van het bestreden project en zijn 15 woonaangelegenheden, dus louter voor privaat gebruik. In de bestreden beslissing wordt dan ook duidelijk aangegeven dat het gaan om privaat gebruik van de wegenis, en legt bijkomend nog de voorwaarde op dat een poortje moet worden geplaatst om het privaat gebruik te garanderen. De Raad bevestigt het private karakter van de wegenis dan ook als volgt:
‘Bepalend voor de bevoegdheid van de gemeenteraad is en blijft aldus welk gebruik de wegenis krijgt of zal krijgen. Als de weg een openbaar karakter heeft, dan moet deze blijkens de parlementaire voorbereiding onder het beheer van de gemeente vallen, ongeacht het eigendomsstatuut van de grond waarop deze wordt voorzien. Als de weg daarentegen enkel open staat voor privaat verkeer, dan kan deze onder het beheer van een of meer particulieren staan. Onder “openbaar” gebruik dient verstaan te worden: wegen die voor het publiek verkeer openstaan, terwijl dit niet noodzakelijkerwijze impliceert dat deze wegen daarom ingericht worden voor het voertuigenverkeer in het algemeen. De bevoegdheid van de gemeenteraad beperkt zich niet tot wegen die worden ingericht voor gemotoriseerd verkeer en omvat ook het tot stand brengen van een fiets- en voetgangersverbinding, de zogenaamde trage wegen, met een openbare bestemming.’
Het arrest lijkt definitief te bevestigen dat enkel het gebruik van een wegenis bepalend is voor het onderscheid tussen een wegenis met privaat of openbaar karakter. Wanneer de wegenis louter in functie staat van een bepaald project, lijkt deze prima facie een privaat karakter te hebben. In het andere geval is een zaak der wegen noodzakelijk.
Het betrokken arrest is ook interessant omdat de draagwijdte van de motiveringsplicht wordt herbevestigd inzake herstelbeslissingen. De Raad overweegt dienaangaande als volgt:
‘De bestreden beslissing is een herstelbeslissing. Als de verwerende partij een herstelbeslissing neemt, moet ze de aanvraag opnieuw onderzoeken op haar volledigheid, op grond van een eigen beoordeling van zowel de legaliteit als de opportuniteit hiervan, waarbij ze rekening moet houden met het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest. Dit strekt zich uit tot alle motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen en die er de noodzakelijke ondersteuning van uitmaken. In het vernietigingsarrest stelt de Raad vast dat het inplantingsplan en de beschrijvende nota onduidelijk of zelfs enigszins tegenstrijdig zijn over het statuut van de interne weg en het openbaar karakter en gebruik daarvan en dat de verwerende partij in de bestreden beslissing naliet om te onderzoeken en motiveren waarom al dan niet een voorafgaandelijke beslissing over de zaak van de wegen nodig was. Deze verplichting gold des te meer omwille van de door de verzoekende partijen ingediende bezwaren.’
Zo worden de contouren van de verstrengde motiveringsplicht ook nogmaals uitgezet.